De micro Almende

Sinds een half jaar woont beeldend kunstenaar en ‘archeoloog van het heden’ Melle Smets op de eerste verdieping van Pieter de Raadtstraat 37. In het onderstaande verhaal vertelt hij over zijn eerste kennismaking met ons woon-werkpand, maakt hij er een prachtige tekening van de complexe verbanden (zodat we het zelf eindelijk ook snappen) en verbindt hij onze manier van collectief wonen en werken met een eerdere kennismaking van een vergelijkbaar, maar veel ouder, pand in Budapest.
Het is een eerste verkenning van zijn onderzoek naar de betekenis en organisatorische vormgeving van onze ‘meent’, ‘mark’ of ‘almende’ (oud-nederlandse woorden voor ‘commons’).

Tekening van een wandeling door de eerste twee verdiepingen van Pieter de Raadtstraat 35-37 (klik voor vergr.)

“De rondleiding door de twee panden in de Pieter de Raadtstraat 35 & 37 deed mij denken aan een rondleiding in Budapest twee zomers geleden. Erik Jutten, één van de initiatiefnemers van Stad in de Maak, liep voorop via het trappenhuis van Pieter de Raadtstraat nummer 37, dwars door een studentenappartement, naar een balkon dat weer aansloot op de keukendeur van nummer 35. Door de kruip-door-sluip-door is er een on-Nederlands gebouw ontstaan. Wat hier achter de gevel gebeurt is iets anders dan wat de voorkant doet vermoeden. De ‘gordijnen blijven open als de avond valt want wij hebben niks te verbergen’ traditie zit niet alleen in de mensen maar ook in gebouwen. Hier dus niet.

 

 

In Budapest was het gebouw nog een verdieping hoger en een stuk breder. Mijn rondleider Antal Lakner, geboren en getogen in Budapest, legde uit hoe in de negentiende eeuw de stad groeide als kool. De monumentale gebouwen werden veelal neergezet als pensioenvoorziening door particulieren die goed geld hadden verdiend. Het verzekerde de eigenaar van een dak boven het hoofd, een constant inkomen van huurgelden, maar ook een sociaal vangnet van buren waarmee basisfaciliteiten werden gedeeld zoals WC, kolenkit, conciërge en drinkwater.

De opzet van het gebouw bestond uit winkelruimtes aan de straat en werkplaatsen aan de achterkant. De eerste verdieping werd veelal bewoond door de eigenaar zelf. Niet te veel trappenlopen, grote ramen met zicht op straat, en ruime kamers met hoge plafonds. De tweede en derde verdieping bestonden uit kleinere appartementen voor gezinnen. De zolder was voor de zonderlingen, kunstenaars en alleenstaanden.

Het gebouw waar Antal mij doorheen loodste was een prachtig voorbeeld van particulier eigendom dat samenvalt met de grotere structuur van de stad. Het gebouw bood plaats aan verschillende inkomensgroepen, generaties en leefstijlen. De begane grond was een semi-publieke ruimte voor economische activiteiten, wat bijdroeg aan een levendig straatbeeld en werkgelegenheid. Met alle huurdersinkomsten bij elkaar kon er een conciërge worden aangesteld die de post deed, kleine reparaties verzorgde, het gebouw bewaakte en bezoekers welkom heette. Zo was er een evenwicht tussen de zelfredzaamheid van bewoners en hun gebouwen in een groeiende stad die gepland werd door de gemeente.

Nu woon ik inmiddels op de eerste verdieping van Pieter de Raadt straat 37b. Niet als eigenaar van het gebouw en dus zonder pensioenregeling, maar wel met een hele lage huur. Ik ben onderdeel van een sociaal experiment geworden dat antwoord wil bieden op de vraag: Kunnen we een woon/werk plek creëren die vormgegeven wordt door de bewoners zelf? Een gebouw dat eigendom is van een woningbouwcorporatie maar dat wordt onderhouden en ingericht door de mensen die er wonen. Wat gebeurd er als de woonconsument ontwikkelaar wordt van zijn/haar huis? Leidt dat tot meer betrokkenheid bij de buurt? Genereert het nieuwe vormen van eigenaarschap waar de ‘Don’t haves’ ook een kans krijgen om in de stad te blijven wonen?

In deze zoektocht wordt er binnen Stad in de Maak druk gedebatteerd hoe we de unieke formule gaan verwezenlijken. Opvallend vaak valt het Engelse woord ‘commons’ als sleutel tot succes maar ook als niet onderhandelbaar doel. Het meest gangbare Nederlandse woord voor de commons is ‘meent’ wat duidt op de gemeenschappelijke weidegronden. En er zijn meer ouderwetse woorden die reeds vergeten zijn zoals ‘almende’ of ‘gouw’. Ze refereren allemaal aan de fysieke onverdeelde gemeenschappelijke ruimte. Het is tekenend dat we die woorden niet langer in ons vocabulaire hebben.

De komende maanden, en bij succes wat langer, zal ik mij toeleggen op het proberen te begrijpen en het mede vormgeven van de onverdeelde gemeenschappelijke ruimte die ons ter beschikking staat. De Pieter de Raadtstraat 35 & 37 wordt mijn leerschool om iets opnieuw te leren wat we als burgers vergeten zijn. Of de Pieter de Raadt groot genoeg is om een ‘almende’ te stichten zal blijken. Met het Budapestmodel in het achterhoofd heb ik in ieder geval de beste kamer veroverd.”

Melle Smets
www.mellesmets.nl

Dit artikel is ook gepubliceerd in De Stoker #2. In dat nummer ook het artikel ‘De commons – wat is dat eigenlijk’