Commons, commoning, of noem het ouderwets een meent. Het delen van ruimte is een belangrijk aspect van het gedachtegoed van Stad in de Maak.
Vroeger was het vanzelfsprekend; de meent in het dorp. Al vanaf de 12e eeuw komen meenten voor in Nederland: gemeenschappelijk gebruikte en beheerde grond, goed of ruimte.
Stad in de Maak doet iets vergelijkbaars: het stelt delen van gebouwen die de stichting beheert vrij van huur en opent ze voor dit soort voorzieningen. Het zijn plekken waar de markt niet in voorziet, maar die toch een belangrijke bijdrage leveren aan het sociale en economische weefsel van de wijk.
Onze panden zijn plekken waar onderzocht wordt hoe je gemeenschappelijk kunt wonen, werken en samenkomen en voor voorzieningen kunt zorgen, op zo’n manier dat de bewoners, maar ook anderen ervan profiteren.

De eerste keer commonen
Hoe onzeker de toekomst ook was, toen we de sleutel kregen van de Pieter de Raadtstraat begin 2013 stond één ding meteen vast: de begane grond (een forse 110 m2 binnenruimte plus een buitenberging) moest gereed worden gemaakt voor gemeenschappelijk gebruik door de bewoners, straat en buurt. Dit had prioriteit.
We kwamen er daarna al snel achter dat verschillende mensen rondom het netwerk van Stad in de Maak op zoek waren naar manieren om dingen te doen, die zij in hun eentje niet of nauwelijks konden organiseren, of waarvoor de huur van een ruimte te hoog is.
Als er geen economische druk zou zijn en de commons te alle tijden voor iedereen toegankelijk zijn, dan is het mogelijk om verschillende van deze dingen hier in onze eigen ‘meent’ te laten plaatsvinden. We besloten deze commons niet vooraf te ontwerpen, maar in het gebruik te laten ontstaan en zo te ontdekken waar behoefte aan is en hoe daar plek aan kan worden gegeven.
Stokerij
De benedenruimte werd al snel de Stokerij gedoopt, omdat in deze ruimte ooit voor de hele buurt warm water werd gestookt (een waterstokerij). De naam past ook mooi bij het idee dat we hier het vuur rond de commons en rond het op andere manieren met vastgoed in de stad omgaan konden opstoken.
In de jaren die volgden, werden de gemeenschappelijke ruimtes van de Pieter de Raadtstraat een plek voor een Wasbuur-wasmachine die vanaf de straat beschikbaar is voor de bewoners en buren, de indie non-profit bioscoop Neverland Cinema, een discussieruimte en een (jammer genoeg geflopte) buurtbakkerij.
Ook waren er een tijdje een wasmiddellaboratorium en een microbrouwerij. Tot op heden vind je er de timmerwerkplaats en de Wasbuur, die ook als pakketpunt dienst doet voor buurtbewoners die even niet thuis zijn als de bezorger langskomt.

Discussie
Eind 2016 werd kunstenaar Melle Smets (enigszins spottend) aangesteld als onderzoeker van de state-of-commons en de meervoudige, soms tegenstrijdige manieren van gebruik van deze begane grondruimtes. Daarmee kwam een discussie over toegang en beheer op gang en werden er voorstellen gedaan voor een ‘gebruiksprotocol’ voor de commons:
“De regel voor de ruimte is dat geen enkel gebruik of gebruikers een ander gebruik of gebruikers gedurende langere tijd (dat is langer dan absoluut noodzakelijk) mag frustreren (of onmogelijk maken). Bij niet-gebruik dient de ruimte (in principe) vrij zijn van objecten, geuren, zwerfvuil en/of andere nog onbekende obstakels. Dit betekent dat ‘meubilair’ en ook de werkplekken zodanig moeten zijn dat deze verplaatst kunnen worden (gemakkelijk met de hand en desnoods door één persoon aan de zijkant in een opbergruimte, of scharnierend aan de muur, of gehesen aan het plafond of onder de vloer gedropt, wat dan ook) wanneer de ruimte nodig is voor andere activiteiten. Er zal niet alleen een ‘clean desk’-beleid in de werkruimte zijn, maar ook een ‘clean space’-beleid” (Piet Vollaard, uit e-mail, 3 februari 2017).
Hoewel het contra-intuïtief lijkt, waren er goede redenen om te wachten met het vaststellen van de regels. Een daarvan is de noodzaak om soms het wiel opnieuw uit te vinden om al doende te leren.
Een andere reden om te kiezen voor een minder ‘normatieve’ benadering bij het instellen van een commons worden door de historicus Peter Linebaugh gegeven in zijn boek The Magna Carta Manifesto, Liberties and Commons for All (2008): “Er zijn geen commons zonder onophoudelijke activiteiten van commoning, van gemeenschappelijk (re)produceren van commons. Maar het is door gemeenschappelijk (re)produceren dat gemeenschappen van producenten voor zichzelf de normen, waarden en maatstaven van dingen bepalen.”

Stadsbreed oefenterrein
De commons van Stad in de Maak kun je dus zien als plaatsen om te onderzoeken op welke manier we de dingen (opnieuw) in gemeenschappelijke handen kunnen nemen, om voor het komende decennium te onderzoeken welke vormen van existentiële ondersteuning we moeten uitvinden, hoe we kunnen deelnemen in daden van commoning, onze ambities, community’s bouwen, vaardigheden en capaciteiten, expertise en ervaring laten groeien. De gebouwen in de stad vormen de basis voor dit stadsbrede tijdelijke ‘oefenterrein’.
Hierbij komt ook een andere relatie tot het begrip eigendom. Zodra het eigendomsvraagstuk (tijdelijk) aan de kant is gezet, kunnen we de geleende ruimte en tijd gebruiken om te oefenen om anders te leven, waarbij we de grens opzoeken tussen wat individueel en wat collectief kan zijn.

Commons en eigendom
Inmiddels zit er ruim 10 jaar commoning op. Een van de lessen is dat commons leiden tot kruisbestuivingen en het versterken van de onderlinge relaties en van de netwerken in de wijk. Vooral bij Pension Almonde is het sociale kapitaal expliciet gemaakt.
Melle Smets, die bij de grondlegging de regels hielp vaststellen, was later kwartiermaker van Pension Almonde. “Doordat er een gemeenschappelijke ruimte was waar een programma werd georganiseerd, zoals de wekelijkse soepavond, ontmoetten mensen elkaar en wisselden initiatiefnemers kennis en kunde uit”, vertelt hij. “Vanuit deze plek ontstond er gedeeld eigenaarschap, werd inspraak vormgegeven en stonden bewoners op om als vrijwilliger een handje te helpen bij de buurtinitiatieven.” Deze ‘meent’ bleek een cruciaal element voor het succes van het pension.”
Louis Volont, als onderzoeker Space & Commonsverbonden aan de Universiteit van Antwerpen, deed onderzoek naar de commons van Pension Almonde. Hij stelt dat juist nu, in een tijd van toenemende privatisering, ‘meenten’ essentieel zijn voor het functioneren van de stad. Overheden ontwikkelen ze soms zelfs samen met bewoners om de leefbaarheid veilig te stellen ten opzichte van de negatieve uitwerkingen van het grote kapitaal. Daarnaast kan collectief gebruik de overheid juist ook bekritiseren door ruimte te claimen en deze te gebruiken voor functies die de markt en de overheid laten liggen.
Toch blijkt het in de praktijk moeilijk om commoning zo te organiseren dat het duurzaam een plek heeft in de stad. Stad in de Maak schippert door aan de ene kant het systeem te bekritiseren en aan de andere kant afhankelijk te zijn van woningcorporaties en de gemeente om ruimtes op deze manier te benutten, terwijl de zoektocht naar een pand om aan te kopen (en aan commons een vaste plek te geven) doorgaat.
Volont erkent dat eigendom mogelijkheden biedt om voor de lange termijn sociale functies toe te voegen aan de wijk. In de praktijk ziet hij dat commons steeds verder van het centrum van de stad gedreven worden. Maatschappelijke initiatieven moeten nu opbieden tegen commerciële ontwikkelaars, terwijl de kern van dit soort initiatieven juist is dat ze géén marktpartij kunnen zijn. Dat botst, of maakt hun bijdrage aan de stad eigenlijk onmogelijk. Gemeenten zouden hierin een rol kunnen spelen, door de verkoop- en vestigingsvoorwaarden voor dit soort initiatieven te versoepelen.
Dit artikel komt uit Magazijn, een boek vol verhalen over coöperatief wonen en ‘commoning’ in de stad. Hier verkrijgbaar.