Piet Vollaard kijkt anders naar systemen dan de gemiddelde ambtenaar, adviseur of vastgoedontwikkelaar. Systemen zijn er niet om aan te conformeren, vindt hij. Liever breekt hij ze open en verruilt hij logisch gevonden onlogische oplossingen voor win-win situaties. Als mede-oprichter van Stad in de Maak zorgt hij “altijd samen met anderen, hoor” voor onconventionele woonoplossingen.
Dat is zijn grootste doel met Stad in de Maak, maar ook binnen zijn werk als schrijver en mede-oprichter van De Natuurlijke Stad is hij bezig met natuurlijke en sociale ecosystemen en het versterken daarvan. Leunend tegen de getimmerde balustrade van de Pieter de Raadtstraat 35 draait hij een sjekkie. Het is niet de eerste onconventionele oplossing die, hier, op dit balkon, in precies deze houding, in hem opkomt.
De rijkdom die hij vindt in uitzonderingsposities biedt mogelijkheden voor de niet-standaard stadsbewoner en de (semi-)publieke ruimte. Neem bijvoorbeeld Pension Almonde, waar ruim 100 mensen ruim twee jaar tegen lage huur konden wonen in panden die anders leeg zouden staan, terwijl het óók nog iets deed voor de wijk. Hij kan genieten van het effect ervan: dat er bijvoorbeeld een (sl)opera ontstond, die onderdeel werd van de Rotterdamse Operadagen. Of het experiment om in een van de woningen een zorgpension te beginnen, waar serieuze samenwerkingen uit voortkwamen.

Het kan wél
Bij het uitvoeren van zijn visie vecht hij soms op tegen de klippen van het ambtenarenapparaat. Dan komt hij terecht in politieke spelletjes. Zoals toen hoorde dat de gemeente de panden aan de Burgemeester de Roosstraat in Rotterdam liever verkoopt aan een projectontwikkelaar dan aan de zittende bewoners. Die moesten er toen binnen enkele maanden uit. Al die tijd dat hij met compagnons Ana, Erik en Marc aan het rekenen was om te kijken of ze er met die bewoners een woningcorporatie kunnen beginnen is voor niets geweest. “De vraag is of het ooit een eerlijke kans gekregen heeft”.
De moed zinkt hem vaak in de schoenen. “Het is soms erg frustrerend”, zegt hij hoofdschuddend. “Het zijn dichtgetimmerde systemen die zichzelf tegenwerken en ons daarmee ook. Mijn vertrouwen in de overheid heeft wel een flinke knauw gekregen door deze jaren Stad in de Maak.”
Wat helpt is een tikje cynisme, of zoals hij het zelf liever zegt: ‘klassiek kynisme’ (Diogenes is zijn filosofie-held). “Dit is een vorm van Stoïcijnse intelligentie en vasthoudendheid die je wel nodig hebt als je dit soort dingen van de grond wilt krijgen. Uiteindelijk gaat het om het resultaat. Als het lukt om simpele oplossingen erdoorheen te krijgen bij alle partijen, dan is mijn missie geslaagd. ‘Volgens mij kan het wel,’ is mijn grote drijfveer. Dingen die iemand anders ook kan, doe ik liever niet, daar ben ik te lui voor.”
Dat is één van de redenen dat hij zich nooit bij een architectenbureau heeft aangesloten. “Ik heb eigenlijk het hele vakgebied verkend, inclusief de hoofdlijn: gebouwen ontwerpen. Maar ik kwam er al snel achter dat ik interieurontwerp leuker vond. Dat gaat lekker snel; je kunt alles in de handen van één persoon houden. Ontwerpen doe ik vaak alleen. Opmerkelijk, want architectuur bedrijven is één en al samenwerking. Pas later ben ik me gaan realiseren dat het samengaat. Ik ben graag autonoom en vanuit die positie werk ik graag samen met anderen.”
Er was een tijd dat hij tegelijkertijd met een boek, een gebouw en nog een leuk ander project bezig was, gewoon omdat hij zichzelf flexibel wil houden. Nog steeds Piet is bijna altijd met meerdere dingen tegelijk bezig. “Naast Stad in de Maak is mijn tweede hoofdbezigheid van de laatste tien jaar stadsnatuur en stedelijke biodiversiteit. Ik schrijf daarover en werk aan projecten op dat gebied. Ook werk ik aan een oeuvre-onderzoek en uiteindelijk een monografie over ‘wilde tuinman’ Louis le Roy.”
Bij de tientallen boeken die hij schreef, ging zijn motto ‘volgens mij kan het wel’ op. “Ik vroeg me bijvoorbeeld af waarom er nog niemand een boek geschreven had over Herman Haan. Er was bijvoorbeeld geen markt voor, of het was lastig aan informatie komen. Als ik het nuttig vond, en niemand anders deed het, dan ging het gewoon zelf doen.”
“Waarom was er nog geen architectuurdagblad?”, dacht hij in de tijd dat het internet opkwam. “Eindelijk kon ik mijn eigen architectuurkrantje beginnen.” Archined was één van de eerste Nederlandse websites en groeide uit tot het online debatplatform voor de Nederlandse architectuur. Van 1996 tot 2013 was Piet hoofdredacteur.

Tijd voor verandering
Het jaar 2008 brak de routine. Het was het jaar dat de faculteit voor architectuur in Delft afbrandde. Ondertussen dacht Piet erover om zichzelf misbaar te maken binnen Archined. Met de rookpluimen die hij kilometers verderop zag vanuit het kantoor van Archined, voelde hij de verandering al in de lucht hangen.
Het gevoel klopte. Op de Biënnale van Venetië ontmoette hij Erik en werkte hij samen met Marc en Ana, die hij al kende. In een tijd waarin de Nederlandse architectuur floreerde met ‘Super Dutch’, besloot het Nederlandse team een paviljoen te maken dat zich richtte op discussie en onderzoek in plaats van het laten zien van gebouwen. De brand van de faculteit in Delft was aanleiding om vaardigheden, mogelijkheden en een curriculum te ontwikkelen dat verder gaat dan het uit de grond stampen van gebouwen. Een antwoord van architecten op wat er op dit moment echt urgent is. Het was een lastige boodschap op deze internationale architectuurtentoonstelling. “We werden niet begrepen.”
Midden in de werkzaamheden rond deze biënnale kwam het nieuws: de bank Lehman Brothers was failliet. Het begin van een wereldwijde financiële crisis waarin 60 procent van de Nederlandse architectenbureaus ten onder zou gaan en de architectuur zich op een hele nieuwe manier moest uitvinden. “Kortom, opeens was ons paviljoen wél actueel.”
Crisis als voedingsbron
“Dankzij die crisis zitten we hier nu al 10 jaar”, concludeert hij. Met zijn pakje shag tikt hij op de rand van het balkon van het hoofdkwartier aan de Pieter de Raadtstraat. “Wij gingen op onze eigen manier verder met de bouwstenen die deze biënnale had opgeleverd. De tijd van reflectie was over, voelden we. Tijd om met iets tastbaars aan de gang te gaan.” Al snel kwamen de twee ‘weespanden’ via Erik op hun pad. “Het was crisis en deze panden opknappen om als woningen te verhuren was duurder dan dichttimmeren en leeg laten staan. Geef het aan ons en jullie hebben er 10 jaar geen last van, zeiden we.”
Het werd het begin van Stad in de Maak. Naast het opknappen en in gebruik nemen van de panden, startten we een activistische ‘denk- en doetank’ en begonnen we te experimenteren met ideeën over andersoortig beheer van leegstand, coöperatief wonen en het ontwikkelen van commoning.
Alles om ruimte te maken. Ruimte waar de stad wat echt wat aan heeft. Een concrete praktijk die een alternatief biedt aan de neo-liberalistische uitsluiting die hij overal om zich heen ziet. Zeker in een stad als Rotterdam. Is hij een anarchist? “Ik durf het niet te zeggen, want daar zijn zoveel stromingen in. Ik vind het stoïcisme relaxter. Wat er ook gebeurt, mij krijgen ze niet klein.”
Hij heeft nog één belangrijke missie met Stad in de Maak: “Een permanente plek vestigen is de enige manier om niet weggejaagd te worden. Een tegenwicht bieden. Helaas zien we tot nu toe nog steeds dat geld belangrijker is dan maatschappelijke waarde. Tot ik me verveel ga ik door om een woningcorporatie in Rotterdam voor elkaar te krijgen. Volgens mij kan het wel.”








